vrijdag 3 juni 2016

Liederen uit 1524

In Oud Archief Hattem 1025, het zakboekje (groot 11 x 7,5 cm) uit 1524 van Joannes Custos, zijn door hem een paar liederen met de hand opgeschreven.






Joannes Custos (of Johannes de Koster) was o.a. Latijnse schoolmeester en had liefhebberij in het leren zingen van zijn scholieren.

"Nigra sum sed formosa", (tweede pagina onderaan) zwart ben ik doch liefelijk, uit de Bijbel Hooglied 1:5, sluit aan bij 'Ebony and Ivory' van Paul McCartney en Stevie Wonder en het thema van de Internationale Archievendag 2016 'Archives, Harmony and Friendship'

Er is over deze liederen gepubliceerd:
Auteur(s): Hascher - Burger, Ulrike, en G. Kouwenhoven
Titel: Maria tussen de akten. Drie devotiegezangen in een register uit Hattem. In Madoc, tijdschrift over de middeleeuwen. Jaargang 14, nr 3, herfst 2000
Ook in Heemkunde Hattem nr. 86, maart 2001, is dit artikel verschenen.


Deze muziek staat in een registertje in het oud archief van Hattem, hoog 11, breed 7,5 en dik ruim 1 cm, echt een formaat van een zakboekje dus, waarin allerlei aantekeningen staan en ook de hier behandelde drie gezangen waaruit de eerbied voor Maria spreekt. Het boekje bestaat uit tien katerns en is gebonden in een perkamenten verkoopakte van een akker land aan de Heilige Geest te Hattem, daterende van 1523. Er zijn twee plaatsen voor zegels aan deze akte te herkennen. De achterkant van de akte steekt rechts uit en is als omslagflap om de open zijde van het registertje gebruikt. De rug is op de plaats waar de draden van het bindwerk naar buiten komen versterkt met twee stukjes leer van 2 x 1 cm.

De inhoud van het registertje begint met onsamenhangende aantekeningen en een aantal akten door schepenen van Hattem afgegeven, waar alleen de aanhef van is opgeschreven. Verder volgen er akten betreffende onroerende goederen die vaak zijn doorgestreept, zonder dat veel samenhang herkenbaar is. De akten zijn alle van 1523. Door het papier van de tweede katern schemert het schrift van de andere zijden van de bladen door, waardoor die nog minder goed te lezen is dan het toch al moeilijke normale handschrift in dit boekje.
Op folio 31verso staat een akte van smeden en St Loy, hun beschermheilige. Folio 34verso en volgende geven een deel van een stadsrekening. Verder weer meer akten, ook van 1524. (Afschrift bij Hoefer Aantekeningen betreffende de kerk van Hattem bijlage XLIII)
De akte op folio 51verso e.v. is de aanbesteding van een monstrans voor het Anna-altaar met de wapens van de drost en drostin. (Afschrift bij Hoefer Aantekeningen betreffende de kerk van Hattem bijlage XLI)
Na folio 58verso met iets in Latijn over het vieren met de naam van Rutger van Amstell pastoor, volgen op folio 60 de Marialiederen. Op folio 64 verso en volgende staat het afschrift van de brief van Maarten Luther aan de rector van Zwolle.
Vervolgens komen er lijstjes met namen: roosters van optreden van geestelijken, zoals Hoefer dacht?
Op 68verso de namen van de drie gezworenen en de drie heemraden van 1524.
Op 78 verso onderaan een lijstje met namen nog een keer Joannes Custos (=Koster), op 79verso nogmaals zo’n lijstje.
Tot zover een beschrijving van het registertje en een globale indruk van wat er in te vinden is. Nu gaan we ons nog bezig houden met de vraag wie het registertje en de Marialiederen kan hebben geschreven.
Op folio 26verso en 27 staat de eerste van twee akten over het waarnemen van de school door Jacob van Ams, die ook door Hoefer wordt genoemd (blz 119 en bijlage XLII van zijn Aantekeningen betreffende de kerk van Hattem). De andere partij in deze akte beschrijft zichzelf met “ik” en zal zelf nog de kerk elke dag ’s ochtends open en ’s avonds dichtdoen. Deze akte is gedateerd 1523, “avent Mathei apostoli”, dat is 20 september.
Dan op folio 47 verso het tweede contract over het waarnemen van de school, maar nu van enkele maanden later, namelijk Petri (=22 februari) 1524 tussen Joannes den Koster en Jacob van Ams. Jacob zal de school waarnemen, maar Joannes zal hem helpen bij hoogtijdagen als daar “sware sanck is toe leren ind helpen den jungen ore sanck toe leren” (Hoefer heeft overigens in zijn bijlage XLII hier de eerste keer het woordje “sanck”, = gezang, het zingen, vergeten!) en als Joannes er niet is, of met stadszaken te doen heeft, zal Jacob ook op de kerk passsen. Deze akte lijkt dus als twee druppels water op die hierboven genoemd op folio 26verso, alleen is de partij die zijn werk voor een deel overdraagt aan Jacob van Ams nu niet “ik”, maar Joannes den Koster!
De volgende feiten moeten we eens op ons laten inwerken:
1 Er is een akte tussen Jacob van Ams en “mij”, regelende dat Jacob de school zal waarnemen.
1 Er is een akte tussen Jacob van Ams en Joannes den Koster behelzende het zelfde.
2 Joannes den Koster zal Jacob wel in de school helpen als er moeilijke liederen moeten worden geleerd. Hij is dus goed in zangles.
2 Het registertje bevat eigenhandig geschreven liederen.
3 In het registertje staan veel stadszaken: akten en financiën.
3 Joannes den Koster zou soms door stadszaken verhinderd kunnen zijn om op de kerk te passen.
Het register is door één hand geschreven. Wel had de schrijver wel eens zijn pen. aangescherpt, zodat de lijntjes weer dunner werden
4 De schrijver was het Latijn machtig, daaraan moest de schoolmeester/koster ook voldoen, want de schooljongens moesten in de kerk uiteraard Latijnse liederen zingen.
Uit al deze feiten kan worden geconcludeerd  dat Joannes de Koster de “ik” van de eerste akte van overdracht van schoolzaken, maar ook de schrijver van de stadszaken in dit registertje, alsmede de schrijver van de Marialiederen, kortom van het hele registertje is. Met andere woorden, dat het zijn zakboekje is dus.
Dit zou mede de samenhang verklaren die er op het eerste gezicht niet is tussen stadszaken en kerkelijke zaken die in het registertje voorkomen. Vergelijking van het handschrift in dit registertje met de akten die in Oud Rechterlijk Archief van Hattem inv. nr. 15 staan van het jaar 1523, rechtvaardigt het vermoeden dat Joannes de Koster ook de stadsschrijver was.


Verhaal over Johannes de Koster
ANNO DOMINI, in het jaar na de geboorte onzes Heren, 1524 loopt Johannes de Koster, of, zoals hij zichzelf ook graag noemt, Joannes Custos, want je bent immers het Latijn machtig of niet, de Annakapel binnen.  Hij knielt voor het altaar en slaat een kruisje.  
Dan, opstaand, kijkt hij eens om zich heen om te bewonderen wat hier zo’n twintig jaar geleden voltooid is.  Zowel de Annakapel als het grote koor fonkelen nog van nieuwigheid. Het is alles zeer fraai.  Johannes was toen nog een jongen, maar hij herinnert zich nog goed de inwijding van de twee koren.  Helemaal nieuw is de forse grafzerk van de drost Michiel Ernst van Bambergen. De dappere krijgsoverste is twee jaar geleden letterlijk in het harnas gesneuvelde en hij vindt nu tot de wederopstanding hier in zijn geliefde kapel rust.  Johannes heeft ook even rust nodig.  Vandaar dat hij hier even schuilt voor de wereldse drukte buiten.  Het is aan het eind van de dag.  Het geloop van bedevaartgangers naar de immens populaire reliek, de ellepijp van de heilige Anna die drost Michiel naar Hattem heeft gehaald, wordt ook al wat minder.  Vanavond, als iedereen er uit is, zal Johannes zoals gewoonlijk de deur van de kerk weer op slot doen.
Met de schrijverij op het stadhuis hier tegenover heeft Joannes Custos het tegenwoordig zo druk, dat hij een aantal werkzaamheden gedeeltelijk heeft afgestoten aan Jacob van Ams.  Deze Jacob zal op de kerk passen als Johannes het te druk heeft met stedelijke zaken.  Wel zal Johannes zelf de kerk ‘s morgens open doen en ’s avonds weer afsluiten.  Bovendien zal Jacob van Ams het schoolmeesterschap grotendeels overnemen.  Eén voorbehoud is er gemaakt: in de voorbereiding van hoogtijdagen, of als er anderszins door de schooljongens moeilijke liederen moeten worden ingestudeerd, zal Johannes Jacob assisteren.  Ja, daar wil hij zelf de hand in houden, dat laat hij zich niet ontnemen. Het is zijn lust en zijn leven en hij kan het goed al zegt hij het zelf.
 Johannes trekt zijn zakboekje te voorschijn.  Schrijfgerij heeft hij ook bij zich en voor deze gelegenheid zelfs een harkje. Het wordt hoog tijd dat na alle nuchtere wereldse zaken die hij er al in gekalkt heeft, er eens iets kunstzinnigs en geestelijks in komt.  Het harkje wordt in de inkt gedoopt en Johannes trekt ermee elke keer notenbalken van vier evenwijdige lijnen in zijn zakboekje, het harkje krast over het papier.  Vervolgens schrijft hij noten en tekst.  Liederen uit het Hooglied, waarvan de traditie van zijn kerk wil dat ze op Maria, de dochter van Anna en de moeder van Christus kunnen betrokken worden.
Hooglied 1 vers 5 en 6 Ic bin zwart mer gracelijk ghi dochteren van Iherusalem. Also als die tabernakel van Cedar: als Salomons velle. En wilt mij niet merken dat ic bin zwart, want die sonne heeft mi ontverwet.
Hooglied 6 vers 9 Eén is mine duve mine schone volmaecte: … Die dochteren van Syon saghen se  ende predicten se alre salichste: die coninghinnen ende die vriendinnen: ende zi loefden se.
Zo klinken ze in de eerste, in 1470 gedrukte Nederlandstalige Bijbel die Johannes weleens in handen gehad heeft, maar Johannes schrijft in het Latijn:  Nigra sum sed formosa …. en: Ista est speciosa…En verder: Salve radix sancta, ex qua mundo lux exorta.  Gegroet heilige wortel uit wie het licht der wereld is ontsproten.
Johannes komt er helemaal bij tot rust. Rust, dat was ook wat hij hier in de Annakapel zocht. Tijdens het schrijven van de noten neuriet hij zachtjes de melodie mee.
 



dinsdag 3 mei 2016

Brief van Maarten Luther


In het oud archief van Hattem (inv. nr. 1025) bevindt zich in een zakboekje van Johannes de Koster, meester van de Latijnse School van Hattem,  een afschrift van een brief die de kerkhervormer Maarten Luther schreef aan de rector van de Latijnse School van Zwolle, Gerard Listrius.




Hieronder een vertaling van Thom. J. de Vries. Wij houden ons aanbevolen voor verbeteringen daarvan.

Maarten Luther van de Augustijnerorde aan Gerardus Listrius rector van Zwolle.



Met grote voldoening heb ik uw brief ontvangen en deze viel in de smaak van pater Johannes hier en van al wat met ons partij houdt en wij wensten wel, dat die brief ons mocht vinden in die toestand waarin zowel uw als paters Johannes opinie dat veronderstelt. Wat mij betreft, ik weet wel waar het mij aan schort: de faam stijgt wel heel ver boven mijn verdiensten uit.

Philippus (Melanchton) echter geeft op een allergelukkigste wijze als professor les in de godgeleerdheid van zijn eerstejaars college over de brief van Paulus aan de Romeinen voor een gehoor van ongeveer 500 man, die allen gretig naar hem luisteren en waarlijk met een ongelofelijk succes. Moge God begunstigen wat hij heeft ondernomen, opdat de gehele Christelijke wereld uit dit zijn uitverkoren vat – aan wie ik de toekomst binnenkort toevertrouw – een allerzuiverste godgeleerdheid aan de bron zelve moge drinken.

Ik ben van mening, dat in geen duizend jaar de gewijde stof met zulk een oprechtheid en duidelijkheid is verhandeld en haar geestelijke inhoud tot de tijd van de apostelen zo nabij is gebracht. En als we nu niet ondankbaar willen zijn, dan moeten we het tot onze taak rekenen om Gods eigen zaak met alle goede middelen te bevorderen en aan te bevelen. Ik heb deze mijne jaren verloren met ongelukkige oorlogen en ik zou liever willen, dat mijn werken geheel en al te niet gaan dan een sta in de weg te vormen voor een meer gezuiverde godgeleerdheid of voor betere vernuften; en ofschoon ik op de huidige dag niet zonder bloed en tranen filosofeer, houdt mijn noodlot mij toch danig in de knel, immers als een ven die kwade geesten mij aanvalt, dan proberen allen op mij lauweren te behalen en de palm der overwinning te plukken. Zo wenste ik wel dat ik zou mogen zijn als David die bloed moest vergieten, doch dat Philippus zou mogen zijn als Salomon, die in vrede heerste. Amen.

Maar al het overige nieuws zal de man overbrengen die u hebt gezonden, namelijk pater Johannes; doch indien deze minder goed aan uw verwachting mocht voldoen, reken dan, dat het de schuld is van u die over ons al te stoutmoedig hebt gedacht in een punt dat het onze niet is.Tot nu toe komen uit Rome aan mijn adres wel dreigementen en boze aanslagen, maar daar heb ik verachting voor. Duitsland immers begint er smaak in te krijgen en het krijgt inzicht in het huichelspel van de pauselijke aanhangers. Welnu, ik verzoek u vriendelijk uit mijn naam de groeten te doen aan alle voortreffelijke mannen die mij, via u de groeten hebben gedaan. Het psalmenboek dat ik tot psalm 18 heb voorzien van een commentaar van woord tot woord begint me een straf te worden van hem te moeten uitleggen; niet zozeer om het werk, maar omdat die zaken allerminst in het gehoor van het volk liggen en slechts geschikt zijn voor het bevattingsvermogen van zeer weinigen en tot nu toe heb ik niet besloten of ik soms ook gemakkelijk te begrijpen traktaatjes in het licht moet gaan geven; immers dit is de spijze van de meer volmaakte geest. Waarde Gerardus, vaarwel in de Heer. Uit Wittenberg de 30ste juli

(1520) (de 3de kalendes augusti) (Grotefend blz. 16, 17, 141)





De vertaling komt uit het boek van Drs. Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle, blz. 162, 163. (met dank aan Siem van de Weerd)

Gerard Listrius was een vurig humanist en was in 1515, ongeveer 25 jaar oud, rector van de Latijnse school van Zwolle geworden. Hij correspondeerde dus met Luther en had sympathie voor diens opvattingen. Hij was in de leer geweest bij Erasmus. De broeders van het Gemene Leven met wie Listrius bevriend was, bouwden in die tijd een scholierenhuis waar maar liefst 200 arme leerlingen van buiten de stad onderdak konden vinden. Listrius was een modern man, hij ging over op het gebruik van gedrukte boeken. Hij liet door hem zelf geschreven leerboeken ook drukken. In 1522 werd Listrius rector in Amersfoort. 

De genoemde dreigementen uit Rome kunnen bestaan uit de dreigbul van 15 juni 1520 van de paus waarin Luther wordt gemaand 41 van zijn 95 stellingen te herroepen. 

Over de brief is ooit al eens gepubliceerd door mijn onvolprezen voorganger Frederic Adolph Hoefer in Archief voor Nederlandse Kerkgeschiedenis deel 7 blz 203 - 206. Daar staat ook een afschrift van de brief. (Met dank aan Jos de Weerd) 






Deze brief van Luther is ook terug te vinden in: WA Br II, 148; brief nr. 316.
De WA is online beschikbaar voor studenten en medewerkers van een universiteit die de digitale versie heeft gekocht.  De WA op papier staat natuurlijk in wel meer bibliotheken. 
Die so genannte Weimarer Ausgabe (WA) ist eine kritische Gesamtausgabe, die sämtliche Schriften Martin Luthers sowie seine von anderen aufgezeichneten mündlichen Äußerungen in lateinischer oder deutscher Sprache umfasst. Der offizielle Titel dieser Ausgabe lautet: D. Martin Luthers Werke.
Zie ook:Kurt Aland, Hilfsbuch zum Lutherstudium, Bielefeld: Luther-Verlag, vierte, durchgesehen und erweiterte Auflage 1996. 



Luther in Wikipedia

Melanchton in Wikipedia

Gansfort in Wikipedia

 

vrijdag 18 maart 2016

Fortuin in Hattem ook pelmolen

De molen De Fortuin in Hattem is gebouwd in 1816 en is dus 200 jaar oud. Minstens zeventig jaar daarvan was hij niet alleen een korenmolen, maar tevens ook pelmolen. Het is dus geen wonder dat op het molenterrein een pelmolensteen is gevonden. Deze staat nu als een fraai monument naast de molen. De periode dat de molen zowel pelmolen als korenmolen werd genoemd in de bronnen strekt zich uit van 1842 tot 1912.



vrijdag 26 februari 2016

Kerkhof Epe

Om de Grote Kerk van Epe ligt het kerkhof. Daar werd tot 1829 begraven. Een landelijke maatregel maakte daar een einde aan. Begraven binnen bebouwde kommen van meer dan 1000 inwoners mocht niet meer. Om het kerkhof was een muur. In die muur waren doorgangen waar een rooster in lag. Dat rooster hield honden en varkens tegen, zodat die niet zouden gaan graven op het kerkhof. Ook de duivel werd erdoor tegengehouden, want die ging immers op bokkenpoten. Het huis naast het kerkhof heet daarom nog steeds het Rooster, evenals in Heerde.  Het laatste stuk van de kerkhofmuur in Epe werd in 1916 door een ijzeren hek vervangen.


Het ijzeren hek staat er honderd jaar later nog.

 


woensdag 24 februari 2016

Heggenvlechten eeuwenoud

"Het heggenvlechten is eeuwenoud" lezen we in Mooi Gelderland het magazine van winter 2015 van Geldersch Landschap en Kasteelen. In hetzelfde artikel staat ook dat heggen op gemeenschappelijke weiden niet nodig waren, maar dat is niet helemaal waar. De grote gemeenschappelijke weide de Hoenwaard bij Hattem was met twee heggen opgedeeld in drie grote stukken: het achterste, het middelste en het voorste stuk. De techniek wordt ook beschreven: de struiken worden onderaan schuin ingekapt en neergelegd en gevlochten. Dit voorkomt dat er onderaan gaten ontstaan waar dieren doorheen kunnen kruipen. Deze techniek vinden we precies zo beschreven in de stadsrekening van 1529 van Hattem. Dus "eeuwenoud" is zeker vijf eeuwen oud en deze techniek, waarvan wordt gezegd dat die in Engeland bekend is, was ook bij ons 500 jaar geleden bekend.


Rolof Dapper ende Jan van Hengel betaelt op paeschavent van 15 dagen
arbeyts dat sij den haeghen lachten ende vlochten buyten der Dijckpoirte in den
olde doylen elcken dag betaelt 2½ stuiver facit tsamen 2 goudgulden 19 stuivers Brabants
Noch Jan Scomaker betaelt van vijf dagen dat hij den haeghen oick
hielp leggen 12½ stuiver Brabants

Aangezien deze heggen in de oude doelen buiten de Dijkpoort stonden, kan het ook nog eens gaan om verdedigingswerken, want puntige doornheggen, goed gelegd en gevlochten, waren ook voor mensen ondoordringbaar en werden daadwerkelijk als zodanig gebruikt juist buiten de stadsmuren. Aangezien Hattem in het jaar ervoor, in 1528 ook nog een zware belegering had meegemaakt, is het helemaal niet gek dat men vond dat de heggen opnieuw gevlochten moesten worden.


Gelegde en gevlochten heg bij de Bonenburg onder Heerde 



maandag 22 februari 2016

Sunte Peter

In Hattem en omstreken heeft men eeuwenlang het boekjaar afgesloten en opnieuw opgestart op 22 februari, zijnde de heiligendag Sint Petri ad cathedram, (ook cathedralis) of Sunte Peter. Het is de dag waarop werd herdacht dat Petrus bisschop werd (van Rome en dus de eerste paus). Ook de pachten werden op die dag betaald. Andere streken gebruikten Sint Maarten, 11 november. Het boekjaar afsluiten op 31 december en op 1 januari opstarten is een tamelijk nieuw verschijnsel. Nog op 22 februari 1966 werd de boerderij De Kolk van de diaconie van Epe verpacht (Ampt Epe 242 blz 36).

 Item dyt is mijn uutgeven van der stadtwegen aengaende
Sunte Peter ad catedram anno xviij (1518) duerende hent
Sunte Peter anno xix (1519) ende ellyk Philippus gulden gerekent
voer xl (40) Gorsseler


 Anno domini viffende fiftich ingaende
eeyndende Petri ad cathedram lvj (1556)

Rekenschap Henrici Haen van den domeynen
und inkomen der stadt Hattem de anno
vijffendeviftich ingaende Petri ad cathedram
lv (1555) eindende ende uuytgaende Petri cathedralis
inclusive sessendeviftich, den golden gulden gerekent
ad xxviij (28) stuvers Brabants gevalueerdt die herenpond xiiij (14) stuvers

donderdag 18 februari 2016

Prieel op de stadsmuur in Hattem

Op 18 februari 2016 is het gerestaureerde prieel op de stadsmuur in Hattem in de tuin van  het Hoge Huis heropend. De vormgeving is wat aantrekkelijker geworden en de centrale kolom is nu voorzien van informatiepanelen over de geschiedenis van het Hoge Huis, het prieel en met name over een van de bewoners, Frederic Adolph Hoefer, gemeentearchivaris van Hattem van 1895 tot 1931 en nog veel meer.



Hoefer, geboren 14 april 1850 was behalve gemeentearchivaris van Hattem,
  • kapitein der artillerie en met zijn paard gevallen en afgekeurd, hij liep voortaan mank, hij kreeg een staatspensioen 
  • medewerker Hollandse IJzeren Spoorwegmaatschappij in Amsterdam
  • directeur Bell Telephoon Maatschappij in Rotterdam
  • directeur Maatschappij voor Tijdaanwijzing in Rotterdam
  • oprichter van het Openluchtmuseum in Arnhem
  • oprichter van het Artilleriemuseum in kasteel de Doorwerth bij Arnhem (nu voortgezet in het Nationaal Militair Museum in Soesterberg)
  • directeur van het Stedelijk Museum Zwolle
  • oprichter en bestuurslid van de historische vereniging Gelre
  • bestuurslid van de Vereniging van Overijssels Recht en Geschiedenis
  • commandant in de rang van luitenant-kolonel in WO I van het kamp voor Duitse krijgsgevangenen onder Wapenveld  
  • generaal majoor titulair voor al zijn verdiensten op zijn 80ste verjaardag 
generaal Hoefer

Na zijn tweede huwelijk in 1890 met baronesse Van Heemstra uit Hattem kocht hij in 1892 het Hoge Huis aldaar.

Omdat de baronesse gouvernante van de jonge prinses Wilhelmina was geweest, kwam hare majesteit later nog wel eens op visite in het Hoge Huis. Ook Paul Krüger uit Zuid Afrika is er op de thee geweest.

Hoefer verkocht het Hoge Huis voor weinig geld in 1931 aan het Groene Kruis in Hattem.

Hij is in 1938 overleden en in Hattem begraven. Zijn graf is er nog.

 De tot op heden twee enige archivarissen van Hattem, Hoefer en Kouwenhoven

Het prieel in Hattem op de plek van de Lenartstoren op de stadsmuur begin jaren '90

Het prieel is mogelijk door baron Van Ittersum, eigenaar van het Hoge Huis voor Hoefer, gebouwd rond 1865 naar een voorbeeld bij paleis Het Loo dat hij als kamerheer van de koning moet hebben gekend. Het heet Bijlandts Rust


(Met dank aan Gerard Wever)