vrijdag 21 februari 2014

Pelzerkamp


Op 17 oktober 1931 werd het Haagse koloniehuis voor bleekneusjes De Pelzerkamp aan de Officiersweg te Epe officieel geopend. Het huis was in 1914 gebouwd voor J. van Lohuizen en was ontworpen door architect Baanders uit Amsterdam. De Haagse Vereniging voor Christelijke Gezondheids- en Vacantiekolonies had de degelijke en mooie villa met veel grond in 1931 kunnen kopen. De vorige eigenaar was J.C. Oeberius Kapteyn, oud-burgemeester van Leidschendam die slechts een paar jaar in het bezit van het huis was geweest. De vereniging bestond bij de opening twaalf jaar, was opgericht door de freules Van Hogendorp en Van Soeterwoude en had voor de koop van de Pelzerkamp in Epe al ruimte gehuurd in het huis de Bijsterbosch. In 1931 was het aantal uitgezonden kinderen per jaar gestegen tot elf groepen van 40 jongelui. Kinderen van de Haagse Christelijke scholen hadden het geld voor veertig bedden bij elkaar gebracht. De gemeente Den Haag gaf voor elk kind een subsidie. De ouders droegen naar vermogen bij. In 1931 schreef men: “Of die gezonde stad Den Haag dan ook al zwakke, ondervoede, nerveuze kinderen telt? Dat moet ge den schoolartsen maar eens vragen, dan zal het antwoord u de handen in elkaar doen slaan van verbazing. Den Haag heeft ook haar volkswijken en zelfs zeer uitgebreide, waar de kinderen iets missen, dat ze zoozeer noodig hebben!” Tot zeker 1977 zijn er kinderen voor een aantal weken naar Epe gekomen, zodat dat er mogelijk enkele duizenden hier zijn geweest. Meestal werd er van de groep een groepsfoto gemaakt. Heel regelmatig komen er nu zestig-plussers in Epe hun herinneringen ophalen. Degenen die wij gesproken hebben, bewaren geen slechte herinneringen aan Epe. Het gebouw waarin zij gelogeerd hebben, treffen ze echter niet meer aan, dat is begin 1981 afgebrand. Nu staan er nieuwe appartementen.
Het huis aan de Officiersweg heeft door vernummering verschillende huisnummers gehad. Dat waren achtereenvolgens: A 344, B 242, na 1950 Officiersweg 41 en na 1978 85. Van de vereniging in Den Haag was de secretaris in Sniplaan 18 te Den Haag gevestigd. Hendrik Antoon de Jonge, getrouwd met Jans Lammertink, was de eerste directeur tot 1955.

Als kind van 6 jaar (ik ben nu 63)was ik te gast in wat wij noemde "Het koloniehuis", voor de tijd van zes weken. Als een van de tien kinderen van een postbode hadden wij het thuis niet breed, twee zusjes van onze familie hadden al TBC dus een wat gezondere leefomgeving was voor ons noodzakelijk. Ik heb in mijn latere leven nog dikwijls terug gedacht aan die periode en aan de heer De Jong die destijds een aardige directeur was en mij goed wist op te vangen omdat ik veel heimwee naar mijn moeder had.

Ik ben twee keer in de kolonie Pelzerkamp geweest. Als kind was ik veel ziek, dus een bleekneusje, op advies van de dokter moest ik maar opsterken in een bosrijk gebied. Daar mijn moeder (Toos Kosters)eind dertiger jaren en in het begin van de oorlogsjaren zelf kinderleidster geweest was in Pelzerkamp, was de keuze vrij makkelijk ´´Pelzerkamp´´. Ik ben daar in 1951 geweest, voor de eerste keer. Met de stoomtrein vanuit Den-Haag naar Apeldoorn en denk ik met de bus naar Epe. Een hele onderneming in die tijd. Ik herinner mij de regelmaat, op tijd uit bed, eten, buiten spelen, eten, middagrust, buiten spelen, avond eten en naar bed. De directie bestond uit de heer en mevrouw de Jonge, omringt door leidsters. Voorop gesteld dat ze het beste voor de kinderen wilden doen, was de zorg goed denk ik. Ik me herinneren dat we warme melk met honing kregen met natuurlijk een vel er op. Veel buiten spelen in de natuur. Want het gebouw stond in de bossen. De eerste keer is me slecht bevallen, als jongen van 7 niet weten wat er ging gebeuren, in een vreemde omgeving en veel heimwee naar de vertrouwde omgeving, eenzaam voelen met alleen je eigen speelgoedbeertje die ik zuinig bewaard heb. Een halfjaartje later ben ik voor de tweede keer in Pelzerkamp geweest, het ging veel beter en ik knapte wat op. Van mijn lotgenoten kan ik me niet veel herinneren, wel weet ik dat bij ons op de jongenszaal een jongen was met een metalen kunstbeen, voor hem moest je oppassen, want als kwaad was en je een schop gaf dan was die wel raak. Een paar jaar geleden ben ik in Epe op zoek gegaan naar het gebouw en gevonden. Het gebouw is was in elkaar gestort. Dit was bewust gedaan om calamiteiten te voorkomen hoorden we van enkele wandelaars. Er lagen nog wat stenen en enkele muurgedeeltes waren nog zichtbaar.


Ik heb hier 1 jaar (1965-1966)als leidster gewerkt en vond dat heel leuk. Hier volgt de dagindeling. De kinderen kwamen met de bus aan in Epe. Ze bleven er 6 weken of langer. Iedere 3 weken gingen er wat kinderen naar huis en kwamen er weer nieuwe kinderen bij. Zo wisselde dat elkaar af. De kinderen werden gewogen en gemeten. En de haren werden met een luizenkam gedaan. De dagindeling was als volgt. Om 7 uur s’morgens opstaan, s’winters om half 8. De leidster deed de gordijnen open en de kinderen gingen dan op hun knieen aan het voeteneinde van het bed zitten voor een gebedje. Dat ging als volgt: Wij danken U barmhartige God, Beschikker van ons deel en lot. Voor Uwe hoede en trouwe wacht, Ons weer betoond in deze nacht. Dan haalde de leidster de bedden af, kinderen pyamajas uit. De leidster waste de rug van de kinderen . De rest deden de kinderen zelf. (alles met koud water zonder zeep) Daarna aankleden en de kinderen maakten zelf hun bed op. Ook had ieder kind een taak, zoals kastjes afnemen, plintjes soppen, wasbakken schoonmaken en vegen. De leidster stofzuigde de zaal. Daarna mochten de kinderen nog even spelen tot de etensbel ging. Die luidde om 8 uur. S’Winters om 8.15. De ochtendmaaltijd: De kinderen bidden elke om de beurt het onze Vader. S’Morgens aten de kinderen brood, zoveel ze wilden. De eerste boterham was met kaas. Daarna zoetigheid, zoals: Witte suiker, bruine suiker, stroop of muisjes. Zomers koude melk erbij en in de winter warme melk. Spelen Na het eten schoenen en jassen aan en gingen we met de kinderen naar buiten. Wandelen of spelen. Naar de indianenheuvels, het dalletje of de berenkuil. Ze speelden daar indiaantje, rovertje. De jongens bouwden hutten en de meisjes speelden vader en moedertje. Ook zochten we dennenappels en maakten daar poppetjes mee. We zochten ook eikels en verkochten die aan de boer voor veevoer. Wat verder weg om te lopen waren de schaapherder, eendenvijver in het dorp. Zomers zwemmen bij de zandheuvels. Paddestoelen zoeken en de namen erbij vinden. Herfstbladeren zoeken en opplakken met de namen erbij . Meisjes bloemen plukken en ik maakte daar dan een krans van. Bij slecht weer werd er binnen gespeeld in de speelzaal of ook wel in de bus. We deden wel aan handenarbeid, er was een sjoelbak, voetbalspel, poppenhuis, poppen, poppenwagen,poppenkast, zandbak en een blokkendoos. Ook was er een kast vol spelletjes. Om ½ 11 thuis melk drinken buiten. Daarna waste 2 kinderen de bekertjes af, terwijl de rest even speelde op de schommels en de wippen of in de hut of op het grasveld. Er stond ook nog een duiventil bij het huis. De vader van Willy de Kleijn heeft een koppel duiven meegebracht. Daarna gingen we weer wandelen en spelen. Om 12.15 weer terug op Pelzerkamp. Handen wassen in een emmer met koud water. Dan naar binnen, schoenen en jas uit en pantoffels aan. ½ 1 etenstijd. Warm eten in de eetzaal. Elke dag vlees of een vleesvervangend middel. 1 x in de week was er stamppot. Zaterdag een vrij dikke soep. In de winter ook nog een vitamine C pilletje. Elke dag pap na en op zondag was er yoghurt. De leidster schepte 2 x op want dat was beter dan in 1 x een grote hap. Na het eten bleven de kinderen in de eetzaal tot ½ 2. Een leidster las dan voor en de directrice deelde de post uit. School In de wintermaanden was er van ½ 2-3 uur school in de speelzaal en serre. Er kwam een onderwijzeres voor.. Om 3 uur dronken de kinderen weer melk en gingen niet te ver van huis af weer spelen, tot het tijd was om de douchen. De jongens gingen de ene week eerst en de andere week de meisjes. S’Zondags werden alleen armen en benen gewassen. In een kleine kamer was een kast met vakken. Daar stonden de namen van de kinderen op. Daar lagen hun gemerkte kleding in. Het lijstje werd nagekeken bij aankomst en vertrek. Na het douchen wasten 2 kinderen de sokken en de leidster de washandjes. De kinderen speelden tot etenstijd op de slaapzaal. Ze tekenden, lazen of deden een spelletje. Of de leidster las wat voor. Ik had een guitaar en ik speelde en de kinderen zongen erbij. Er was ook nog een Pelzekamplied, dat ging zo: Pelzerkamp daar moet je wezen, Pelzerkamp daar moet je zijn. Want dan ben je gauw genezen, Van je ziekte en je pijn. En je speelt er heel de dag, “k Wou dat moeder mij eens zag. Komt kind”ren naar buiten Naar buiten. :k Zou zo graag wat dikker willen wezen, “k zou zo graag wat dikker willen zijn. Dan moet je in Pelzerkamp wezen, Dan moet je in Pelzerkamp zijn. Havermout met sperzibonen, Alles door elkaar genomen. Rikketik, rikketik, hopsa heisa hoi. Wij zijn de beste kameraden, Wij zullen elkander nooit verraden. Want we horen bij elkaar, En we blijven bij elkaar. Totdat we elkander gaan verlaten. En van je hup, hup, hup, Lang leve de meisjesclub, Zeg jongens ga opzij, want de meisjes gaan voorbij. Lang leve, lang leve, lang leve de meisjesclub, hup, hup. En op het hoekje van de laan, Zie ik met grote letters staan. De Pelzerkamp staat bovenaan. 2 x Of: En om het hoekje van de straat, Waar met grote letters staat. In Pelzerkamp daar moet je zijn. 2 x En ik sta op wacht en ik loop heel zacht. Van boven naar beneden, tel ik 36 treden. Op mijn linkerbeen met mijn ogen dicht, Dat doe ik met geschreven plicht, ogen dicht. Om ½ 6 ging de etensbel en gingen we naar beneden. Broodmaaltijd. De eerste boterham met kaas. De 2 e s’winters met rozebottel. De rest met zoetigheid. Weer zoveel ze wilden. De groteren kinderen aten wel 8 of 9 boterhammen. Weer met melk erbij. Het eten zowel koud als warm werd met mes en vork gedaan . Na het eten werden er 3 liedjes gezongen uit “wie zingt er mee”van de zingende zusjes. Dan werd er ook weer post uitgedeeld. Zaterdag’s aten de kinderen huzarensalade in de bus achter het huis. Na het eten gingen de kinderen naar de slaapzaal. Pyama aan en tanden poetsen. Aan het voeteneinde werd dan het avondgebedje gezongen. Ik ga slapen ik ben moe, ‘k Sluit m’n beide oogjes toe. Here houdt ook deze nacht, Over mij getrouw de wacht. “t Boze dat ik heb gedaan, Zie dat Here toch niet aan, Schoon mijn zonden velen zijn, Maak om Jezus wil mij rein, Amen. Zomers bleven de kinderen tot 7 uur op de slaapzaal. In de winter mochten ze alvast naar beneden. Dan werd er t.v. gekeken ttot ½ 8, zaterdags tot 8 uur. Daarna naar bed. 1 leidster had dan de wacht. Ze verstelde kleding bij een nachtlampje op de gang. Dit was van ½ 8- ½ 10. Zonodig wat kinderen laten plassen. Zondags gingen we naar de kerk en de kinderen kregen dan 3 stuivers voor in het kerkzakje. Na het eten op zondagavond werden er chritelijke plaatjes gedraaid van de zingende zusjes tot 8 uur. Iedere zaterdag schreven de kinderen een brief naar huis. Die werd dan eerst door de leidster nagekeken en daarna nog een keer door de directrice.(censuur). 1 x in de 3 weken kwamen de ouders op bezoek. De kinderen mochten dan met de ouders de stad in. Er was trouwens ook nog een hond , hij heette Diaddi en een geit.

4 opmerkingen:

Rubato zei

Hallo,
Mooi verhaal.
Leuk om te lezen.
Gr.

Truus zei

leuk om dit terug te zien ik heb er gewerkt en volgens mij was dat in 1969/70 de directrice heette lubberding.

Anoniem zei

Jonne
Net 6 jaar oud heb ik hier in de herfst van 1955 6 weken gezeten. Heb er veelal onprettige herinneringen aan. Thuisgekomen durfde ik niet meer alleen naar de wc. Ben jarenlang bang geweest om op mijn linkerzij te slapen uit angst dat dit slecht was voor mijn "hartje". Later begreep ik dat iedereen met het gezicht naar rechts moest liggen zodat je elkaar niet kon aankijken. Kleine kinderen moesten in hun blootje in de rij voor de badkamer wachten, terwijl oudere kinderen een handdoek om mochten doen. Lauwe melk met harde vellen. Het was lasterlijk als je zei dat je iets niet lekker vond. Jarenlang heimweegevoelens bij het horen van een vliegtuigje in de middag, want als ik dat tijdens het middagslaapje hoorde, hoopte ik dat mijn ouders me kwamen ophalen. Een fijne herinnering is de wandeling door de bossen, met de voeten schoppend door de dikke laag gevallen bladeren op weg naar de huisarts voor mijn ontstoken vinger.

Bert Knorr zei

Hallo. Omdat mijn gewicht wat achterbleef werd er door de "huisarts " beslist dat ik naar de kolonie moest. Een van zijn missers was dat want die man kon er niets van. In 1954 op de Pelzerkamp geweest. ik woonde in Den Haag en het was een hele ervaring om met de trein naar Epe te gaan. Op 19-02-1954 vertrokken wij met dhr en mevr de Jonge. het bleek voor hun de laatste keer te zijn. Aangekomen werd er gelijk een streng regime opgevolgd. Dat stomme op je linkerzij liggen, het eten wat niet te eten was, mijn moeder kookte altijd heerlijk, en de dwang die er was om na het eten een glas karnemelk te drinken. Ik heb dit altijd vies gevonden ( nu nog ) maar je moest het opdrinken. Resultaat, overgeven en eenmaal dwongen ze mij om het braaksel op te eten. Met groot gevecht tot gevolg heb ik dit niet gedaan. Douchen was ook zo fijn, in een rij staan en afgebeund worden met een borstel onder groor genoegen van de zgn. zusters. Het resultaat bij terugkomst was dat ik 3 kg afgevallen was. Wat een genoegen om daar te mogen vertoeven. Als het mogelijk was om nu nog een klacht in te dienen stond ik vooraan. Kortom heb ik het leuk gehad daar?
Een volmondig nee komt er dan uit.
Gelukkig dat de kinderen van nu deze mishandeling niet meer krijgen.