dinsdag 18 augustus 2015

Archeologen graven lijk op bij de kerk van Hattem



Vandaag wordt in De Stentor gemeld: er is een compleet  skelet bloot gelegd naast de Grote Kerk van Hattem. Omdat de gemeente nieuwe bomen wil planten, moet er eerst archeologisch onderzoek worden gedaan. Dat er lijken zouden worden gevonden, is geheel volgens de verwachtingen.Een skelet dat nu nog compleet is, is hoogstwaarschijnlijk begraven in de laatste jaren voor het stoppen van ter aarde bestellingen rond de kerk op 1 januari 1829. Toen ging namelijk een landelijke maatregel in, dat binnen bebouwde kommen van boven 1000 inwoners niet meer mocht worden begraven. Vanaf de Middeleeuwen was het gebruik dat men op het kerkhof rond de kerk en voor de rijken zelfs in de kerk werd begraven. Het is aannemelijk dat de Hattemers met de bouw van deze kerk zijn begonnen in 1176, toen de parochie zelfstandig werd. Er zou dus vanaf 1176 tot en met 1828 maar liefst 653 jaar lang mensen in en rond Hattems kerk kunnen zijn begraven. Voor die tijd begroeven de Hattemers hun doden op het “alde kerckhof” op de Gaedsbergh rond de oorspronkelijke kapel aldaar.




foto van het lijk in De Stentor op internet



Hoeveel lijken zouden er kunnen liggen rond Hattems kerk? De laatste tien jaar dat er rond de kerk is begraven,  1819 – 1828 zijn er 379 mensen in de gemeente Hattem overleden. Het aantal begraven mensen in die periode is echter groter geweest, omdat ook mensen uit Wezep en Hattemerbroek, buurtschappen die vanaf  1 januari 1818 zijn gelegen in de gemeente Oldebroek, in Hattem werden begraven.
Betere cijfers geven dan ook de overlijdensakten in de jaren daarvoor, maar die beginnen niet eerder dan  april 1811, dus dat zijn tot en met 1817 6,75 jaar. In die jaren zijn er gemiddeld 66,1 mensen per jaar in Hattem overleden.
Honderd jaar eerder, in de tien jaar van 1719 tot en met 1728 zijn er 564 mensen in en om de kerk begraven, dat is gemiddeld 56,4 per jaar.
Nog weer bijna honderd jaar eerder, in tien jaren tussen 1627 en 1638 voor zover de bron (de kerkrekeningen) het ons toeliet om de begraven mensen te tellen, zijn er 466 mensen in en om de kerk begraven. Dat is gemiddeld 46,6 per jaar. Verder terug kunnen we in de archieven niet gaan met dit soort tellingen.

Het gemiddelde dodental in Hattem rond 1635,  rond 1725 en rond 1815 loopt dus op van 46,6 via 56,4 tot 66,1
Hoe het verloop voor 1635 is geweest, is onduidelijk, maar als we het laagste getal, 46,6 nemen en dat naar beneden bij stellen om rekening te houden met de bevolkingsgroei in eerdere eeuwen, tot pak hem beet gemiddeld 35 doden per jaar voor de gehele periode van 1176 tot 1829, dan komen we uit op een totaal van globaal 22.855 lijken die rond en in de kerk zijn begraven.

maandag 13 april 2015

Klementbrug Heerde13 april 1945 11 (12) doden

Verzetsstrijders wilden de Klementbrug over het Apeldoorns Kanaal bij Heerde behouden voor de geallieerden die in aantocht waren. Van 11 op 12 april 1945 waren ze bewapend bij de brug aanwezig en de nacht er na ook. In de vroege morgen van 13 kwam het tot een treffen met de Duitsers.

De volgende verzetsstrijders werden gedood:

Uit Heerde:
Adrianus van Apeldoorn
Gerrit Jan Herman van Apeldoorn
Berend van Dijk
Jacobus Gerrit Pleiter

Uit Elburg:
Hendrik Hulst

Uit Oostendorp:
Nicolaas Samuel Rambonnet

De volgende burgers werden van een afstand doodgeschoten:
Gerrit Jan Haverkamp (buurtbewoner)
Gerardus Hermannus Michael van de Vegt (kwam uit Apeldoorn melk halen)

Als represaille werden de volgende buurtbewoners gefusilleerd:
 Koendert van Lohuizen
Jan Roke
Jan Stoffer

Johan Wilhelmus Hoogland werd later op de dag gevangen genomen als gids van twee Canadese soldaten en ter plekke gefusilleerd.

Op 4 mei is het dodenherdenking. Dan wordt stilgestaan bij alle slachtoffers uit de oorlog. 

woensdag 1 april 2015

Stadsrechtsoorkonde Epe gevonden



Bij het restaureren van een oude boekband uit het archief van Epe is een erg oud stuk perkament tevoorschijn gekomen. Op zich is dat niet bijzonder. In het verleden gebruikten boekbinders vaak oudere stukken perkament opnieuw aan de binnenkant van boekbanden. Vooral kort na de reformatie zijn veel katholieke geschreven boeken kapot gesneden en aan fragmenten in de banden van nieuw gemaakte registers terecht gekomen. Vaak zijn het juweeltjes. Dit keer was het echter een compleet stuk met een handschrift dat op hoge ouderdom wees. De restaurator belde er over op en in overleg is besloten om het stuk niet weer op zijn oorspronkelijke plaats in de boekband terug te zetten.

Het document blijkt namelijk een voor Epe zeer bijzondere inhoud te hebben. Het is in het Latijn en gedateerd anno domini MCCXXXIII dies veneris bonus. Dat is het jaar van onze Heer 1233 goede vrijdag. Veel meer kon onze streekarchivaris er niet van maken, want hij is het Latijn in middeleeuws handschrift niet helemaal machtig. Dus moest er een deskundige naar kijken en die kwam met de verrassende mededeling dat het gaat om een stadsrechtsoorkonde van Otto II graaf van Gelre en Zutphen voor Epe!

Nu is nooit bekend geweest dat Epe een stad was. Het is in het verleden wel vaker gebeurd dat een stadsstichting op een mislukking is uitgelopen, dus dat er geen stad is gegroeid. Bijvoorbeeld Staverden onder Ermelo dat in 1298 stadsrechten kreeg. Een ander voorbeeld is Eemnes. Hoe het ook zij, Epe is geen stad geworden en misschien is men daarom later nonchalant met de stadsrechtsoorkonde omgesprongen. Voor ons in de 21ste eeuw is het daarentegen een belangwekkend historisch document. De inhoud is overigens niet erg spannend: Epe kreeg dezelfde vrijheden die steden Emmerik en Gendt ook van de graaf hadden gekregen zoals ook de stadsrechtsoorkonde van Lochem luidt. Graaf Otto, “de Lamme” of “met de paardenvoet”, ook wel “de Stedenstichter”, maakte zich er wat dat betreft met weinig woorden van af. Hij had het recht om stadsrechten te verlenen in 1231 gekregen en maakte er in die jaren kort daarna veelvuldig gebruik van.  



vrijdag 20 maart 2015

Alle afleveringen van Heemkunde Hattem doorzoekbaar

Vrijwilliger Jan Lieske van het Streekarchief heeft op alle 141 afleveringen van het historische tijdschrift van Heemkunde Hattem (van 1980 tot nu) een index gemaakt. Elk van de bijna 13.000 namen is hierin voorzien van een korte aanduiding wat er over die persoon is gemeld. Heemkunde Hattem stelt die op de website van de vereniging door middel van een zoekoptie keurig beschikbaar.  http://www.heemkundehattem.nl/nl/zoeken/

Bent u op zoek naar een auteur van een artikel in het Heemkundeblad of de titel van een artikel, dan vindt u die op de website van het Streekarchief .  Zoek daar in de bibliotheek. Daar staan ze vanaf aflevering 51. De oudere (voor 1992) zijn te vinden in het boek de Historische Bibliografie van Hattem Hattemianae geschreven door H.J. Veldkamp.

Zonsverduistering 1912 verliep wel met helder weer

In Epe was het tijdens de zonsverduistering van 1912 prachtig weer. De Eper Courant die we in het streekarchief bewaren doet er melding van. De omstandigheden waren nu wel anders.


vrijdag 20 februari 2015

Goed in de slappe was zitten in dagblad Trouw 20 feb 2015



959 Hoe zijn we aan goed in de
slappe was zitten gekomen?
Dinsdag werden hiervoor twee, niet
afdoende, verklaringen gegeven.
Gerrit Kouwenhoven,
streekarchivaris van Epe, Hattem
en Eerde, mailde een andere uitleg.
Was vormde in de Middeleeuwen
een kostbaar goed. Het 'stond
haast gelijk met baar geld'.
Schutters van het Sint Annagilde in
Hattem, waarvan Kouwenhoven de
geschiedenis beschrijft, 'moesten
bij allerlei overtredingen niet een
geldelijke boete, maar een pond
was betalen'. Was kon synoniem
zijn met (was)kaarsen, vooral
gebrand op de altaren van heiligen.
Problematisch is wel dat de
uitdrukking goed in de slappe was
zitten pas in de negentiende eeuw
lijkt te zijn opgetekend.

donderdag 19 februari 2015

Goed in de slappe was zitten. Waar komt dat vandaan?



In de middeleeuwen moesten de schutters van het Annagilde van Hattem bij allerlei overtredingen niet een geldelijke boete, maar een pond was betalen. Dit lijkt voor ons op het eerste gezicht wat vreemd, maar er zit wel een logische achtergrond achter. Het woord “was” kennen we onder andere als grondstof voor kaarsen, toortsen en dergelijke. Overdrachtelijk kan het woord collectief worden gebruikt voor kaarsen vervaardigd uit was. Vaak als offergave voor religieuze diensten, ter ere van heiligen en dergelijke. Als spreekwoorden en zegswijzen, aansluitend bij de eigenlijke dan wel overdrachtelijke  betekenis, kennen we de volgende uitspraken: Het is niet al was dat brandt, hetgeen betekent: schijn bedriegt. Ieder heilige zijn was, betekent ieder het zijne. Ook specifieker in den zin van: ere wie ere toekomt. Als alle heiligen hun was ervan hebben, zit Onze-Lieve-Vrouw in 't duister," wordt gezegd van iemand die tekort wordt gedaan bij een deling, iemand  die juist in de eerste plaats (hier Maria) aanspraak op iets kan maken. De grondstof was voor het maken van kaarsen was een tamelijk kostbaar goedje. Daarmee staat het haast gelijk met baargeld. Van iemand die bemiddeld is zeggen we immers nog steeds dat hij goed in de slappe was zit. De waskaarsen werden in het bijzonder op altaren van heiligen gebrand. En dat zal in Hattem op het altaar van de heilige Anna niet anders zijn geweest. En na een bijeenkomst van de schutters brandden er geheid weer veel kaarsen van een pond was, omdat de heren het niet konden laten ruzie te maken of op elkaar te schelden. Er waren producten die als ruggengraat of motor van de Hanzehandel te beschouwen zijn. Was is er daar één van. Het fundament onder het handelsimperium van de Hanze en tevens haar betrouwbaarste inkomstenbron was de handel in bont en bijenwas. Door de groei van de christelijke erediensten was de vraag naar was enorm gestegen. Elke kerk en elk altaar vroeg om een afstraling van het eeuwige licht, die zich met dure waskaarsen het best liet realiseren. En dat niet alleen vanwege het licht, maar ongetwijfeld ook vanwege de geur die waskaarsen verspreiden. Al in de twaalfde eeuw kon de binnenlandse productie niet meer aan de vraag voldoen, zodat men op zoek moest naar nieuwe productiegebieden. Die vond men in de onafzienbare steppen en wouden van Nowgorod, Rusland, Wit-Rusland en Polen, waar wilde bijen elk jaar enorme hoeveelheden van dit begeerlijke materiaal voortbrachten. De Hanzekooplieden wurmden zich in die handel en werden de belangrijkste verhandelaars. Zij beheersten bijvoorbeeld begin 14de eeuw de Engelse markt zozeer, dat zij toen zij in een jaar daar slechts 10.000 kg was aanboden in plaats van het gebruikelijke tienvoudige, de Engelse koning ze voor de rechter daagde wegens majesteitsschennis. In 1566 werd er door de Hanze nog bijna 800 ton was door de Sont naar het westen getransporteerd.